Загрузка...

AI-разбор доступен после входа

Суть книги, пересказ, главный конфликт, ключевые идеи, вывод, кому полезна, главные темы, персонажи и цитаты можно получить после входа в BookRa.

auto_awesomeПолучить AI-разбор

О книге

Дата написания1970-01-01
Язык книгиnl
Язык оригиналаen
Возрастное ограничение0+

Читать онлайн

Страница 99 из 101

Mijnheer Wilson verliet met vrouw en vriend het leger van den stervende; allen waren door het bijgewoonde tooneel uiterst getroffen. Alleen Willem bleef bij Flink achter en reikte hem water toe, zoo dikwijls hij daarnaar vroeg. Eenige minuten daarna sloeg de oude man andermaal de oogen op.

„Zijt gij bij mij, Willem? Ik kan u niet zien. Luister, beste jongen. Begraaf mij onder de boomen op den heuvel, boven de bron. Daar wensch ik te liggen. De onnoozele kleine Thomas,—laat hem nooit weten, dat hij de oorzaak van mijn dood geweest is. Breng hem nog eens hier bij mij,—en Juno en Caroline ook. Ik wil allen vaarwel zeggen, Willem.”

Willem schoten de oogen vol tranen; hij liep naar huis en maakte vader en moeder met Flinks verlangen bekend.

Allen kwamen, om het laatste vaarwel van den stervende te ontvangen. Flink riep ieder bij zijn naam, den een na den ander. Zij knielden toen bij hem neder en kusten hem. Hij zeide hun met zwakke stem vaarwel; eindelijk gingen zijne woorden in een onverstaanbaar gefluister over. Zoo stonden zij stil en weenend rondom zijn leger geschaard. Slechts Willem knielde aan zijne zijde neder en hield zijn hoofd omvat. In ’t einde liet de stervende dit voorover op de borst zinken en—was niet meer.

„Nu is alles voorbij,” sprak mijnheer Wilson diep bedroefd. Hierop leidde hij zijne vrouw met de kleinen in huis terug; alleen Juno en Willem bleven bij het lijk achter. De arme meid barstte zoodra haar heer en mevrouw zich verwijderd hadden en zij aan haar gevoel den vrijen loop durfde geven, in luide jammertonen uit en wrong als radeloos de handen.

Willem drukte hem de oogen toe. Juno haalde de oude scheepsvlag, welke zij toen over zijn lijk uitspreidden. Vervolgens gingen beiden de familie opzoeken.

In den tijd, dien Willem bij Flink had doorgebracht was de commandant van den schoener met een tweede afdeeling geland, die hij insgelijks uitzond om het eiland te doorkruisen en verstrooide vluchtelingen uit de schaar der wilden op te zoeken, doch er was niemand meer te ontdekken.

Kapitein Osborn stelde den commandant aan de familie Wilson voor, en men maakte nu dadelijk afspraak tot het inschepen van deze laatste. Den volgenden dag zou tot het pakken en inladen van alle goederen besteed worden; den dag daarop zou de familie aan boord gaan.

Willem gewaagde van Flinks wensch ten aanzien van zijne begrafenis. De commandant van den schoener gaf dadelijk last om eene kist te vervaardigen en op de door Willem aangeduide plaats een graf te delven.

Men kwam overeen, dat de geiten en overige dieren, met uitzondering van de honden, op het eiland zouden blijven, ten dienste van hen, die misschien in de toekomst een dergelijk ongeluk ondergaan mochten, als de manschap en de passagiers van De Vrede getroffen had.

De booten kwamen den volgenden morgen tijdig aan land en namen de bagage in. Mijnheer Wilson wilde verder niets medenemen, wat voor latere schipbreukelingen van waarde kon zijn. Het huisraad, al het timmermansgereedschap, ijzerwerk en spijkers, verder pekelvleesch en meel, werd in het huis achtergelaten en weggeborgen. Zoo was hetgeen men had in te schepen dan ook van weinig omvang en dus weldra aan boord gebracht.

NEGEN-EN-VIJFTIGSTE HOOFDSTUK BESLUIT

De drukte en de haast van de toebereidselen tot het vertrek van het eiland, alsmede de snelle opvolging der gebeurtenissen, die zich in de tijdruimte van weinige dagen hadden opgedrongen, hadden Willem en zijne ouders slechts weinig tijd tot nadenken overgelaten. Eindelijk echter was al het noodige beschikt en had de commandant van den schoener geen reden meer om hen tot spoed aan te drijven. Zij hadden in den loop van den namiddag het laatste aan boord gezonden, en den volgenden dag, zoo was de afspraak, zou men onder zeil gaan.

Nu hadden zij rust, om het verlies van hun ouden vriend eerst recht diep te gevoelen, en bitter beklaagden zij hun lot, dat hem niet veroorloofd had gezamenlijk met hem naar Sidney te stevenen. Zij hadden altijd de hoop gekoesterd, dat zij eens van het eiland verlost zouden worden, en in deze hoop hadden zij zich er aan gewend den eerwaardigen ouden Flink als een lid van hunne toekomstige huishouding te beschouwen. Thans, nu hunne vurige wenschen waren bekroond,—nu was het gevoel der vreugde en dankbaarheid met diepen kommer vermengd; ja, zoo groot was de droefheid over het verlies van hun redder en beschermer, dat zij met blijdschap op het eiland zouden gebleven zijn, als zij hem daardoor wederom in het leven hadden kunnen roepen.

Kapitein Osborn, de commandant en de matrozen van den schoener hadden voor dien nacht afscheid van hen genomen en waren aan boord gegaan, na vooraf de noodige beschikkingen gemaakt te hebben tot Flinks teraardebestelling, die den volgenden morgen vóór het lichten der ankers zou plaats vinden. De kinderen waren te bed gebracht en Juno was naar buiten gegaan; de ouders met hun zoon zaten in het nu half ledige vertrek, toen Juno weder binnentrad. Het arme meisje had blijkbaar bitter geschreid.

„Zeg, Juno,” begon mijnheer Wilson, om het pijnlijk stilzwijgen af te breken, dat reeds eene poos vóór hare binnenkomst geheerscht had. „Zijt gij niet blij, dat wij nu het eiland verlaten zullen?”

„Vroeger ikke heel blij zou zijn geweest, maar nu mij niet sikkepitje schelen kan,” was het antwoord. „Het eiland heel lieve plaats,—alles heel gelukkig, tot de wilden komen. Als zij niet vermoord hadden ouden Flink, ik ook niet veel om de wilden geven zou.”

„Ja, waarlijk,” viel mevrouw Wilson haar in de rede, „dat is voor ons allen een harde slag. Ik had altijd gehoopt den goeden Flink in zijn ouderdom te kunnen oppassen en hem onze dankbaarheid te bewijzen; maar nu....”

„De helft van mijn vermogen gaf ik, als wij hem behouden hadden,” sprak de vader.

„Ach, massa!” snikte Juno, „ikke daar effentjes buiten bij hem zitten; ikke de vlag oplichten en hem in ’t gezicht kijken.—Och, wat goed, vriendelijk en gerust zijn gezicht!—Ikke haast denken, dat hij mij toelachen,—en ikke hardop schreien moest. O, massa Thomas,—dat allemaal om jou, stout jonk!”

„Zijn verlies grieft mij dubbel, omdat zijn dood aan de onnadenkendheid van een mijner kinderen te wijten is,” hernam mijnheer Wilson. „Welk eene vreeselijke les voor Thomas, als hij eens tot de jaren komt, om de gevolgen van zijn daad geheel te beseffen!”

„Daar mag hij nooit iets van te weten komen, vader,” riep Willem, die tot hiertoe treurend in een hoek had gezeten. „Eene van Flinks laatste beden was, dat Thomas de oorzaak van zijn dood nooit vernemen zou. Ik moest hem dat plechtig beloven.”

Страница 99 из 101

Вам также может понравиться

Страница 1 из 10

Назад1210Далее